We zijn al een tijdje in gesprek, als ze ineens zegt: “Het heeft hier niks mee te maken, maar het blijft steeds maar terug komen. Dus vertel ik het maar.
In de trein zat ik net tegenover een man die zo’n stinkende natte regenjas aan had. Echt zo’n misselijk makende geur.”
‘En als je er nu over vertelt?’
“Ik voel me weer misselijk worden. Ik moet echt mijn best doen om niet over te geven.
Die geur zit echt in mijn neus. En ik zie die man steeds weer voor me.”
De walging zakt weer, en ik vraag of ze liever naar het voorval met de man wil kijken.
“Ja, graag.”
We doen een eenvoudige interventie met een geurextract van mandarijn, en het beeld van de man verdwijnt.
“Maar ik ben wel nog misselijk. En nu moet ik steeds aan een buurman van vroeger denken. Die had ook zo’n jas.
En hij leek ook op die man in de trein.” Gevolgd door een oprisping.
‘Wat was er met die man?’
Licht mompelend: “Het is walgelijk.”
‘Het was walgelijk.’
Als door een bij gestoken: ‘Nee, het is walgelijk.’
“Het was walgelijk, en het is walgelijk.”
Een zachte knik, en haar blik verzacht.
Het is een duidelijk teken: puzzeltijd voor het systeem. Ik hoef er alleen bij te blijven. Rustig en alert.
Even later: “Het was walgelijk.”
En dan “Hè, hè. Ook weer meer lucht en ruimte. Ook al snap ik het niet, ik wil ook helemaal niet weten hoe dat met die buurman van vroeger zat.”
Ik glimlach: ‘Zat.’

